Frank Mildmay, De zeeofficier - Frederick Marryat - E-Book
SONDERANGEBOT

Frank Mildmay, De zeeofficier E-Book

Frederick Marryat

0,0
0,49 €
Niedrigster Preis in 30 Tagen: 0,00 €

oder
-100%
Sammeln Sie Punkte in unserem Gutscheinprogramm und kaufen Sie E-Books und Hörbücher mit bis zu 100% Rabatt.
Mehr erfahren.
Beschreibung

In 'Frank Mildmay, De zeeofficier' neemt Frederick Marryat de lezer mee op een avontuurlijke reis door de wereld van de maritieme oorlogvoering in de beginjaren van de 19e eeuw. Het verhaal volgt Frank Mildmay, een jonge zeeofficier, wiens belevenissen vol actie, gevaar en morele dilemma's zijn. Marryat's schrijfstijl is levendig en beschrijvend, wat de lezer in staat stelt de tumultueuze zeeën en de intriges aan boord van een oorlogsschip te visualiseren. Dit werk behoort tot de rijke traditie van maritieme literatuur en weerspiegelt de toenemende populariteit van de zeepunters in de Victoriaanse tijd, waarin thema's van mannelijkheid, avontuur en de nobele roeping van de zeeofficier centraal staan. Frederick Marryat, zelf een voormalige marinier en kapitein, put uit zijn persoonlijke ervaringen in de Royal Navy, wat de authenticiteit van zijn verhalen versterkt. Geboren in 1792, richtte hij zich in zijn schrijven op het verbeelden van het leven op zee en de opofferingen van de marinemensen. Zijn diepgaande kennis van navigatie, scheepvaart en maritieme gebruiken vormt de basis voor zijn werk, waardoor hij een van de belangrijkste figuren in de Engelse zeepliteratuur werd. Marryat's kunde in storytelling en zijn liefde voor de zee komen samen in een roman die niet alleen vermaakt, maar ook belangrijke sociale en militaire thema's aanroert. 'Frank Mildmay, De zeeofficier' wordt ten zeerste aanbevolen voor zowel liefhebbers van historische fictie als maritime avonturen. De combinatie van spannende actie, diepgaande karakterontwikkeling en een meeslepende kijk op de marinegeschiedenis maakt het een waardevol boek voor iedere bibliotheek. Lezers zullen niet alleen in de betoverende wereld van de zee worden ondergedompeld, maar ook de morele en ethische vragen van de tijd ondervinden, waardoor het verhaal zowel relevant als tijdloos is.

Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:

EPUB

Veröffentlichungsjahr: 2023

Bewertungen
0,0
0
0
0
0
0
Mehr Informationen
Mehr Informationen
Legimi prüft nicht, ob Rezensionen von Nutzern stammen, die den betreffenden Titel tatsächlich gekauft oder gelesen/gehört haben. Wir entfernen aber gefälschte Rezensionen.



Frederick Marryat

Frank Mildmay, De zeeofficier

 
EAN 8596547475989
DigiCat, 2023 Contact: [email protected]

Inhoudsopgave

Door Kapitein Marryat
Tweede omgewerkte druk
Door W. Degenhardt met 12 oorspronkelijke platen Geteekend en gegraveerd door Jos. Scheidel
Amsterdam Tj. van Holkema
Levensschets van Kapitein Marryat.
Eerste hoofdstuk.
Tweede hoofdstuk.
Derde hoofdstuk.
Vierde hoofdstuk.
Vijfde hoofdstuk.
Zesde hoofdstuk.
Zevende hoofdstuk.
Achtste hoofdstuk.
Negende hoofdstuk.
Tiende hoofdstuk.
Elfde hoofdstuk.
Twaalfde hoofdstuk.
Dertiende hoofdstuk.
Veertiende hoofdstuk.
Vijftiende hoofdstuk.
Zestiende hoofdstuk.
Zeventiende hoofdstuk.
Achttiende hoofdstuk.
Negentiende hoofdstuk.
Twintigste hoofdstuk.
Eenentwintigste hoofdstuk.
Tweeëntwintigste hoofdstuk.
Drieëntwintigste hoofdstuk.
Vierentwintigste hoofdstuk.
Vijfentwintigste hoofdstuk.

DoorKapitein Marryat

Tweede omgewerkte druk

DoorW. Degenhardt met 12 oorspronkelijke platenGeteekend en gegraveerd door Jos. Scheidel

Amsterdam Tj. van Holkema

Inhoudsopgave

Gedrukt bij P. W. M. Trap, Leiden.

Levensschets van Kapitein Marryat.

Inhoudsopgave

Kapitein Marryat heeft zich, als zeeofficier en als schrijver, een uitstekenden naam weten te verwerven. Hij werd den 10en Juli 1792 te Westminster geboren. Van zijn kinderjaren valt weinig mede te deelen; met sterke hartstochten en een vroegtijdig ontwikkelden geest was hij een moeielijk te regeeren knaap. Hij liep weg van elke school, waarop men hem plaatste, en het Dorado van zijne verbeelding was steeds—de zee! Eindelijk werd zijn verlangen om in den zeedienst te komen te sterk om voor eenige overreding te wijken, en deed zijn vader de noodige stappen daartoe. Op den 3en September 1806 maakte hij zijne eerste reis naar de Middellandsche zee op Zijner Britsche Majesteits schip Impérieuse, commandant lord Cochrane.

Deze kruistocht van de Impérieuse heeft in de geschiedenis veel éclat gemaakt. Gedurende de drie jaren, die Marryat op dat schip diende, was hij getuige van meer dan vijftig gevechten, waaraan hij zooveel deelnam als men een knaap van zijne jaren kon toestaan. In den eersten winter van zijnen diensttijd nam en vernielde lord Cochrane drie Fransche oorlogsschepen en twaalf koopvaarders: ook vernielde hij het fort Roquette, bij den ingang van Arcassan.

Op den 21en Februari 1808 nam Marryat deel aan een gevecht in de baai van Almeria; op den 30en Juli van datzelfde jaar werd het kasteel van Mongat aan de Impérieuse overgegeven; op den 13en November liet men een fort bij Barcelona in de lucht springen en werd een Fransch schip genomen. Bij al deze ondernemingen was hij tegenwoordig; ook nam hij deel aan de verdediging van het kasteel van Rosas.

Bij deze verschillende ontmoetingen kreeg Marryat drie wonden, waarvan eene in zijne maag; een gedeelte van zijn hemd met de bajonet mede in het lijf gedrongen, deed dienst voor prop en stelpte het bloed, zoodat hij in de opgewondenheid van het gevecht geene pijn gevoelde. Eerst toen hij zich ontkleed had en het wegnemen van het linnen het bloed weder had doen vloeien, bespeurde hij gewond te zijn. In lord Cochrane’s rapport dd. 8 December 1808 werd hij loffelijk vermeld en in Mei 1809 ontving hij een getuigschrift van denzelfden hoofdofficier voor betoonden moed bij het redden van het leven van den adelborst Cobbett; welk voorval (evenals de meeste gebeurtenissen uit zijn vroeger leven) omschreven is in »Frank Mildmay.” Op den 9en Januari 1809 liep de Impérieuse Port Selda binnen, verdreef den vijand uit zijne stellingen en veroverde vier bronzen kanonnen, die aan boord werden genomen, met welke daad lord Cochrane’s veelvuldige diensten in de Middellandsche zee besloten werden. Marryat bleef echter aan boord van de Impérieuse dienen en ontving in de daaraanvolgende maand April een getuigschrift van luitenant Urry Johnson voor zijn moedig gedrag, toen hij onder dien officier op een ontploffingsvaartuig dienst deed. In October van dat jaar werd hij met Zr. Ms. Victorious (van 74 stukken) van Vlissingen naar Engeland opgezonden, daar hij door een hevigen aanval van Zeeuwsche koorts tijdelijk buiten den actieven dienst was geraakt. Zeer tijdelijk slechts, daar hij daags na zijne tehuiskomst geplaatst werd aan boord van Zr. Ms. Centaur, het vlaggeschip van sir Samuel Hood. Hij was toen achttien jaren oud. Met sir Samuel Hood keerde Marryat naar de Middellandsche zee terug en redde in September 1810 het leven van den matroos Thomas Mowbray, die van de groote ra overboord viel, toen het schip buiten Toulon kruiste. Na een afzijn van twaalf maanden voer hij van Cadix naar huis op de Atlas (van 74 stukken), commandant James Sanders en ging van daar naar Barbados en Bermuda, als passagier aan boord van de Africa (van 64 stukken), commandant John Bastard.

Op den 1en Maart 1811 sprong Marryat op zeer moedige wijze van de kampanje van dit schip overboord, terwijl het met een zevenmijls vaart vóór den wind zeilde, om het leven te redden van den matroos James Walker; een poging die vruchteloos bleek, daar hij bijna 2 Eng. mijlen achter de Africa en meer dan dertig minuten te water was, vóór er tot zijne redding eene sloep bij hem kon komen. Voor deze handeling ontving hij een getuigschrift van moed van kapitein Bastard. Van Bermuda vertrok hij met een stoomschip, de Chab naar Halifax, bestemd voor de Aeolus, een fregat onder bevel van kapitein lord James Fownshend. Op den 30en September, terwijl de Aeolus vóór New-York kruiste, woei er een allerhevigste storm, en toen het schip over zijde was geworpen en zijne bezaansmast en de stengen had verloren, ging de jonge Marryat vóóraan het tuig in, ten einde de groote ra los te kappen (eene onderneming ten hoogste gevaarlijk voor hemzelf), en redde daardoor het vaartuig van den ondergang. Zijn heldhaftig gedrag bij die gelegenheid wekte de algemeene bewondering op, en in een getuigschrift verleend voor zijnen moed, zegt lord James Fownshend: »Hij gedroeg zich met eene dapperheid, onverschrokkenheid en fermeteit, die mijne hoogste goedkeuring wegdroegen.” Jaren later over diezelfde gebeurtenis schrijvende, zeide Marryat: »Het was het meest trotsche oogenblik van mijn leven.”

Van denzelfden officier ontving hij een tweede getuigschrift voor het redden van een jongen in de haven van Halifax. Op den 17den November 1811 werd hij overgeplaatst naar de Spartan, een fregat onder bevel van kapitein Edward Pelham Brunton, onder wien hij bleef doordienen op de Noord-Amerikaansche kust tot den 22en Augustus 1812. Weinige dagen vóór hij dit schip verliet om thuis te varen met de korvet Indian, nam hij deel aan twee sloepen-expeditiën in Haycockshaven en Little River, waarbij zes Amerikaansche vaartuigen genomen werden.

Op den 26en December 1812 ontving Marryat zijne benoeming tot luitenant, en op 8 Januari 1813 werd hij geplaatst aan boord van de korvet L’Espiègle, commandant John Taylor. Den 8en Februari daaraanvolgende viel de matroos Jacob Small uit het grootwant, en sprong Marryat hem natuurlijk na om hem te redden; doch weder was die poging zonder goed gevolg door den langen tijd, die er noodig was vóór eene sloep hem kon bereiken. Voor deze laatste moedige daad werd luitenant Marryat wederom beloond door een getuigschrift van kapitein Taylor. In zijn geheelen diensttijd bij de marine ontving hij zevenentwintig getuigschriften, aanbevelingen en dankbetuigingen, behalve nog eene gouden medaille van de Humane Society voor het redden van menschenlevens met gevaar van zijn eigen.

Luitenant Marryat bezocht achtereenvolgens Suriname, Demerary en Barbados; doch toen er bij eene danspartij op laatstgenoemde plaats een bloedvat bij hem gesprongen was, verliet hij L’Espiègle en keerde met de Spartan als passagier naar Engeland terug.

Zijne volgende plaatsing was op 31 Januari 1814 aan boord van de Newcastle (van 58 stukken), commandant lord George Stuart, onder wien hij behulpzaam was in het nemen van den Amerikaanschen kaper Ida (van 10 stukken) en Prince de Neufchatel (van 18 stukken). Op den 19en December sneed hij vier schepen den weg af naar de baai van Boston. Wegens voortdurende ongesteldheid verliet hij op den 16en Februari 1815 de Newcastle te Madera en keerde naar Engeland terug met de Conway (van 24 stukken) en werd op den 13en Juni van dat jaar benoemd tot commander.

Nadat de krijgsgebeurtenissen van 1815 door een algemeenen vrede gevolgd waren, besteedde kapitein Marryat zijn tijd aan het vermeerderen van zijne kennis in de wetenschappen, die hem bij eene eventueele opdracht van ontdekkings- of opnemingstochten van dienst konden zijn.

Omstreeks dien tijd stelde hij zijn beroemd Seinboek voor Alle Natiën (Code of Signals) samen, dat tot voor korten tijd bij alle zeevarende natiën in gebruik was.

Hij bereisde Italië en het geheele vasteland van Europa.

In Januari 1819 huwde hij met Catharina, de tweede dochter van sir Stephen Shairp van Houston in het graafschap Linlithgow. Het was in dat jaar, dat hij gekozen werd tot Fellow van de Royal Society. Op den 13en Juni 1820 werd kapitein Marryat aangewezen voor de korvet Beaver en naar St. Helena gezonden, waar hij tegenwoordig was bij den dood van keizer Napoleon en van waar hij duplicaatbrieven naar huis overbracht, die bericht van dit overlijden inhielden. Van de Beaver werd hij op de Rosario overgeplaatst en kwam den 9en Mei 1821 daarmede thuis. In het begin van 1823 werd hij commandant van de Larne, ging daarmede naar Oost-Indië en was op eenendertigjarigen leeftijd, als oudst-aanwezend zeeofficier, commandant van de Maritieme Middelen. Hij ontving, te Calcutta zijnde, bij zich aan boord den opperbevelhebber Sir Archibald Campbell, en stond aan het hoofd der macht op de rivier bij den aanval op Rangoon. Toen hij in September 1824 door kapitein Chads met de Ariadne werd vervangen, had hij bijna zijne geheele bemanning verloren.

Na nog andere kleine expeditiën in Indië te hebben medegemaakt, maakte hij door een sterfgeval nieuwe promotie en bracht de Fees naar Engeland terug. In Januari 1827 werd Marryats bevordering bekrachtigd en werd hij benoemd tot Ridder van de Bath-orde, welke onderscheiding hij ten volle verdiend had.

In November 1828 was hij commandant van de Ariadne en werd op Madera en de Wester-Eilanden met diplomatieke zendingen belast. Twee jaren daarna werd hij om particuliere belangen genoodzaakt het bevel neder te leggen, en werd hij benoemd tot adjudant van Z.K.H. den Hertog van Sussex.

Hoewel kapitein Marryat geen bepaald schrijver werd, vóór hij den zeedienst verlaten had, begon hij zijn eersten roman »Frank Mildmay” te schrijven op zijn kruistocht bij de Wester-eilanden,—een jaar vóór hij het bevel van de Ariadne opgaf. Hij ontving voor dit werk van den uitgever Colman de som van £400. Zijn volgende werken waren »The Kings Own” en »Newton Forster”, die verschenen in een tijdschrift waarvan Marryat de redactie had en waarin later ook werden opgenomen »Peter Simple”, de »Pacha of Many Tales”, »Japhet in search of a Father”, »Diary of a Blase”, en de losse stukken, later uitgegeven als »Olla Podrida”, met een tooneelspel in drie bedrijven, getiteld »The Gipsy” en een treurspel »The Cavalier of Seville.”

In 1833 bracht Marryat een bezoek aan Amerika, waar hem eene zeer slechte ontvangst ten deel viel. Wel werd hij in Boston, Saratoga en Philadelphia toegejuicht en goed onthaald, doch daarentegen werd in Toronto en Louistown zijn beeltenis verbrand, en verwachtte hij persoonlijke mishandelingen.

Uit Amerika terug, vestigde hij zich in Londen, alwaar hij tot 1843 bleef. In die jaren schreef hij zijn »Diary in America”, »Percival Keene”, »Poor Jack”, »The Poacher” en »Masterman Ready.”

Na 1843 een rustiger leven wenschende, ging hij te Langham Manor in Norfolk wonen, een vroeger door hem gekocht buitenverblijf. Hier schreef hij »Monsieur Violet”, »The Settlers”, »The Mission” en »The Privateersman”. In 1846 schreef hij »The Children of the New Forest” en »The Little Savage”.

Voor zijne romans ontving kapitein Marryat zeer veel geld; die, welke den meesten opgang maakten, bezorgden hem een fortuin van £20,000. In December 1847 ontving hij pensioen voor langdurigen dienst. De oorzaak zijner laatste ziekte was het veelvuldig springen van bloedvaten, die in verzwering overgingen en eindelijk den maagwand vernielden; doch zijn einde werd verhaast door den dood van zijn oudsten zoon luitenant Frederic Marryat van de Koninklijke Marine, een jong uitstekend officier, die bij verschillende gelegenheden dezelfde eigenschappen van onversaagdheid en heldenmoed, die zijn vader hadden onderscheiden, aan den dag had gelegd, doch die op den 20en December 1847 schipbreuk leed.

Dit verlies gaf kapitein Marryat’s verzwakte gezondheid zulk een schok, dat hij na ontvangst van het bericht begon weg te kwijnen. Hij leefde nog tot den 9en Augustus van het volgende jaar 1848, toen een zachte en gelukkige dood een einde aan zijn werkzaam, verdienstelijk en in den aanvang veelbewogen leven maakte.

Eerste hoofdstuk.

Inhoudsopgave

De volgende bladzijden hebben ten doel de voornaamste lotgevallen uit mijn leven aan boord van de Engelsche oorlogsschepen in het begin der 19de eeuw te schetsen. De rol die ik daarbij persoonlijk vervulde, stond in een te nauw verband met mijn karakter en mijne familieomstandigheden, dan dat ik zou mogen verzuimen vooraf een kort overzicht van mijne kinder- en schooljaren te geven.

Mijne ouders behoorden tot den gegoeden stand. Ik was een zwak, ziekelijk kind, werd daarom boven mijne broeders en zusters vóórgetrokken en niet weinig bedorven. Reeds vroeg trok ik de aandacht door slimheid en onbeschaamdheid: eigenschappen, die mij nog lang na mijne kindsheid zijn bijgebleven.

Heb ik later meermalen gelegenheid gehad mij in den dienst door vermetelheid te onderscheiden;—wezenlijke moed behoorde niet tot mijne eigenschappen. De aanleg tot durven had ik, en het geluk heeft mij later meestal gediend. Veel van mijne handelingen, veel in mijn wedervaren vindt hierin zijne verklaring.

Toen ik het ouderlijk huis verliet en naar eene kostschool werd gezonden, had de moederlijke zorg de eerste beginselen van deugd in mijn ontvankelijk gemoed gezaaid. Helaas! die teedere plant werd onvoldoende beschermd en was maar al te veel aan den invloed eener slechte omgeving blootgesteld. Veel van het goede verstikte of ontkiemde eerst veel later; distels en onkruid groeiden er voor in plaats. Jaren lang was ik geen stichtelijk voorbeeld voor anderen.

Het hoofddoel van mijn schoolgaan was Latijn en Grieksch te leeren. Mijn meester had een eigenaardigen slag om dit in te pompen. Hij vulde onze hersenen met geleerdheid, alsof hij met werk en pik de naden van een vaartuig te breeuwen had. Bij onze hardhoofdigheid was voor die methode dikwijls kracht noodig. Als werktuig voor krachtigen aandrang diende een knoestige stok. Ondanks die barbaarschheid, maakten wij vrij snelle vorderingen in de klassieke talen, en had ik mij in ’t algemeen over mijn meester weinig, over zijne wederhelft daarentegen zeer veel te beklagen.

Op haar toch rustte de niet onbelangrijke taak, om voor onze verdere ontwikkeling en veredeling van hart en gemoed het voetspoor onzer moeders te volgen. En hoe nam zij dien duren plicht op zich? Met de grootst mogelijke onverschilligheid, alsof wij haar bijzonder eigendom, hare slaven waren. Elk onzer moest tijd en bekwaamheden aan haren dienst wijden, in haar beurs voordeel brengen. Dat schepsel, het zij met gepasten eerbied aldus over haar gesproken, was gierig en achterdochtig, karaktertrekken zeer duidelijk in haar gelaat afgeteekend door scherpe, grauwe dicht bijeengeplaatste oogen en een sterk vooruitspringenden neus. Zij scheen nog geen harer voorouders of familieleden aan het liegen verloren te hebben, althans in die kunst had zij het zeer ver gebracht, waarom zij dan ook nooit van een ander gelooven wilde, dat hij waarheid sprak. De uitwerking van al die beminnelijkheden op ons jongens bleef niet uit. Daar wij toch niet vertrouwd werden was het ons volkomen onverschillig om geloofd te worden of vertrouwen te verdienen; ons grootste genoegen was haar te bedriegen. Dit laatste kwam door hare inhaligheid zeer dikwijls voor. Wij moesten immers om beurten voor haar als tuinman en pluimgraaf dienst doen, appelen en peren oprapen en opzamelen en de kippen achternaloopen, die door haar gekakel te kennen gaven, dat zij ernstig aan de eierfabricage dachten. Was het van ons jongens te verwonderen, dat wij naar evenredigheid van onzen honger, diefachtig waren, vooral omdat wij toch verdacht werden een en ander achtergehouden te hebben? Op allerlei loopjes werden wij dus genoeg geoefend, in allerlei listen volleerd, in allerlei kleine schurkenstreken doortrapt. Ofschoon onze schooljuffrouw zich waarlijk niet ruïneerde in de zorg om ons goed te voeden, ontwikkelden wij door al die lichaamsoefeningen in kracht en behendigheid minstens even voldoende als in Latijn en Grieksch, hoewel ik mij kan voorstellen dat menig paar onzer ouders vreemd opgekeken zou hebben bij de ontdekking, op welke wijze het schoolgeld van 80 pond sterling per jaar door dit waardige echtpaar aan ons verdiend werd, of juist had kunnen opmerken, welke jaarlijksche aanwinst in menschelijkheid hun zoons voor deze uitgaaf mede thuis brachten.

Met al ons liegen evenwel konden wij niet beletten, dat nu en dan onze stukjes uitkwamen en eene meer of min ernstige straf ons deel werd. Ik had het na een zekeren tijd vrij ver in allerlei misdrijf gebracht en was met een mijner vrienden, Tom Crauford genaamd, de belhamel der school. Veel onoordeelkundige straffen maakten ons hoe langer hoe schaamteloozer. Op het laatst gaven wij letterlijk om niemand of niets meer, verhard door de »zegeningen”, die de meester op onze meest schuldige hoofden deed nederdalen.

Kort vóórdat Tom en ik ons op den voorgrond hadden weten te plaatsen, was een groote, uit de Oost-Indiën gekomen jongen, die zich door bijzondere lichaamskrachten doch tevens door groote domheid en onverschilligheid onderscheidde, met een der secondanten slaags geweest, daardoor op school onmogelijk geworden en om zijne onhandelbaarheid door zijne ouders naar zee gezonden.

Dit voorbeeld van emancipatie bleef mij steeds voor oogen en was een spoorslag voor mijne verdere gedragingen. Daar ik het zeer weinig op de juffrouw voorzien had, was het mij een waar genoegen haren beschermeling, den Franschen dansmeester, eens een kool te stoven. Monsieur Aristide Maugrebleu was een klein dik ventje van tusschen de vijfenveertig en vijftig jaren, maar ijdel en fatterig zonder voorbeeld. Wetende, dat ik met een zwarte kool aangeteekend stond, was hij steeds onaangenaam tegen mij. Ik vond, dat hier een sprekend voorbeeld gesteld diende te worden en wist hem, toen hij ons een ouwerwetschen »pas seul” voorhuppelde, een beentje te lichten en tot groot vermaak van alle jongens een dol figuur, met zijn puntbuikje op den grond draaiende, te doen slaan. Ongelukkig echter had hij daarbij een voet verstuikt; ik was de oorzaak geweest en werd dienovereenkomstig op de noodige kastijding onthaald.

Ik vond dit zoo onbillijk, dat ik wegliep. Tom had mij bij die gelegenheid een zetje over den muur gegeven. Ik was al een heel eind de weide ingeloopen en juist bezig een aanspraak samen te stellen, waarmede ik te huis komende mijn vader het verder onhoudbare van mijn toestand op school eens duidelijk aan het verstand zoude brengen, toen ik door een secondant in gezelschap van de oudste leerlingen achternagezeten en ontdekt werd. Tom was met zijn schijnheilig gezicht een der voorsten om mij vast te grijpen en uitbundig met verwijten te overladen omtrent mijne ondankbaarheid om mij zóó te willen onttrekken aan de zorgen van den besten der meesters en de liefderijkste, teederste der schoolmoeders.

Ik was gevangen en moest mede terug. Oogenschijnlijk nam ik met mijn lot genoegen, maar in stilte beraamde ik een plan om mij te wreken. Onze weg voerde langs een vijver, waarvan ik met loodsmans bekwaamheid de ondiepten en modderkuilen kende. Na Tom een oogje gegeven te hebben, sprong ik, in weerwil van het gure Novemberweer, vrij ver van den drassigen oever in het koude water en riep van daar den meester toe, dat hij zich vergist had, toen hij meende mij reeds in zijne macht te hebben: hij kon mij van daar opnieuw in ontvangst nemen, zoo hij wilde. Hij kon moeielijk met leege handen thuis komen, maar liefhebbers om mij er uit te halen deden zich niet op. Goede raad was duur. Hij moest er zelf op af. Langzaam werd schoen voor schoen, kous voor kous uitgetrokken, onder smeekingen en bedreigingen tegen mij, steeds in de hoop, dat de koude van het bad mijne onverzettelijkheid zou bedwingen. Alles vergeefs. Ik waadde dieper in en stelde mij op achter een diepe kuil, waar ik bedaard mijn vervolger afwachtte. Rillend van de koude, voetje voor voetje maar met verwoedde gebaren, naderde hij, stak de hand uit om mij te grijpen en—zakte tot ieders verwondering, behalve de mijne, eensklaps voor het grootste deel in de diepte weg. Onder den schijn van hem te willen redden, sprong ik boven op zijne schouders, liet hem eens duchtig drinken van het modderige nat en was, vóór hij de oogen had uitgewreven, op het droge terug, in ’t midden mijner makkers met zijn mal figuur den spot drijvende.

Toen ik meende een goede voldoening gehad te hebben, gaf ik mij aan den intusschen op het droge gesukkelden vijand, bij gebrek aan beter te bedingen voorwaarden »op genade of ongenade” over en werd, zooals te verwachten was, allerminzaamst op school in ontvangst genomen en op mijn natte kleeding allerhartelijkst afgeklopt. Met een hoofd als vuur, verwaardigde ik niet bij die afstraffing een kik te geven, maar had vermoedelijk daaraan te danken, dat ik van dit ontijdige bad niet doodziek werd, zooals onze arme secondant, die natuurlijk om dergelijk geneesmiddel niet solliciteerde en veertien dagen lang met zware koortsen zijn bed moest houden.

Kort na dit voorval, dat de maat van hetgeen men meende van mij te mogen verduren, deed overloopen, kwam onze vroegere schoolmakker, de Oosterling, in zijn nette marine-uniform, zijn jongeren broeder op onze school een bezoek brengen. Hij was natuurlijk het voorwerp onzer groote belangstelling. Vooral ik had hem tal van vragen over het leven aan boord te doen.

Hij moest er zelf op af.

Pag. 14.

Ofschoon hij eerlijk daarvan zoowel de voor- als de nadeelen opnoemde, maakte het toch een diepen indruk op mij, dat de adelborsten zoo dikwijls vrijaf hadden, en dat er aan boord geen schoolmeester was om hen te drillen en onrechtvaardig te ranselen, maar dat er aan elk hunner per dag een pint wijn verstrekt werd. De levenswijs was wel ruw op een oorlogsschip, zoo zeide hij, maar het was toch een glorierijk bestaan en gaf met het oog op een oorlog met Frankrijk mooie vooruitzichten.

Meer had ik niet noodig om mijne keus te bepalen. Door die betrekking was ik het eerst van de gehate school ontslagen. De vacantie was nabij. Schriftelijk bereidde ik mijn vader voor op mijn ernstigen wensch om te gaan varen.

Ik had in de jaren op de school doorgebracht groote veranderingen ondergaan. Als een lijdzaam, gewillig kind was ik er gekomen; door strenge, wreede behandeling waren mijne slechtere eigenschappen ontwikkeld;—ik zou de school verlaten als een woesteling.

Te huis had ik echter mijn pleit nog niet zoo gereedelijk gewonnen. Mijn vader had weinig met den zeedienst op en had mij voor eene academische opleiding bestemd. Mijne moeder kreeg het bij het hooren noemen van een oorlogsschip reeds op de zenuwen. Doch daar ik bleef aandringen en zoowel voor de bedreigingen van mijn vader als voor de smeekingen mijner moeder ongevoelig bleef, moest men aan mijn verlangen toegeven en was het uitgemaakt, dat ik in den zeedienst zou treden.

Mijn schooltijd was dus voorbij. Menigeen kan aan dat levenstijdperk met genoegen terugdenken. Ik echter niet. Mijn gansche leven is stormachtig geweest, maar het ongelukkigste deel daarvan sleet ik op de school.

Mijn vader had nu eene plaatsing voor mij weten te verkrijgen aan boord van een te Plymouth liggend fregat, en de korte tijd die mij overbleef vóór ik mijne bestemming moest opvolgen, werd besteed aan het gereedmaken mijner uitrusting. Achtereenvolgens werden een groote kist, benevens mijn uniform, steek, ponjaard en zeelaarzen thuis bezorgd, elk artikel, gelijk men begrijpen kan, met evenveel ongeduld verbeid.

Toen eenmaal het besluit genomen was, dat ik naar zee zoude gaan, legde mijn vader er zich kalm bij neder. Ik had toch een ouderen broeder, die den familietitel en de bezittingen erven moest, te Oxford studeerde en een grootscheepsche opvoeding genoot, ook in de kunst om als een gentleman zijn geld te verteren. Met eene jongere editie, vooral van zoo’n woelig soort als ik, zit men gewoonlijk verlegen. Ik had mijne keuze gedaan en daarmede uit. De rekeningen werden gewillig betaald en mijn uitzet was royaal genoeg.

Toen de tijd van mijn vertrek daar was, de kist op den wagen geladen en ik gereed om de deur uit te gaan, was het voor mijne arme moeder een treurig oogenblik. Snikkende sloot zij mij in hare armen, hartverscheurend was hare droefheid. De heete tranen, die zij onder het kussen langs mijne wangen liet rollen, lieten mij, ongevoelig als ik was, volkomen koud. Voor niets ter wereld had ik het genot, van het heengaan naar zee, willen missen. Eerst later, toen ik die edele ziel door den dood had verloren, stond mijne koelheid bij dat afscheid mij voor den geest. Zwaar werd ik daarvoor gestraft in de vele liefdeloosheid, die ik in mijn veelbewogen leven nog te ondervinden had.

Toen het rijtuig wegrolde, viel zij bewusteloos in mijns vaders armen.

Tweede hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Ik herinner mij haast geen dag zoo vol van verwachting als die, waarin ik te Plymouth mij voor het eerst in uniform zou kleeden, om mij aan boord te gaan melden. Ik stelde mij niet minder voor dan een pas ontloken vlinder te zijn, waaraan ieder bewondering schuldig was. Mijne trotschheid en inbeelding waren grenzenloos. Ik stond, zoo meende ik, aan den aanvang van een bestaan van louter vrijheid en genot. Reeds ver achter mij waren, in gedachte, de school- en kinderjaren; aan die geleden ellende mocht ik nu als man, zoo vond ik, niet meer denken. Doch helaas, ook de zaligheid van dezen morgen bleef niet onvermengd.

Ik had mij dan, voor den spiegel staande, netjes aangekleed, had mijn ponjaard op zijde, een onmogelijk grooten steek op het hoofd; ik was meer dan voldaan over mijzelven en het kwam mij voor, dat ik een dergelijk genot ook aan anderen moest gunnen. Onder voorwendsel van orders te geven voor het opknappen mijner kamer, maar in werkelijkheid om door haar bekeken en dus bewonderd te worden, schelde ik het kamermeisje. Zij was slim genoeg mijne bedoeling te raden en sloeg bij het binnenkomen der kamer de handen ineen van verbazing over zoo’n schitterende verschijning. Edelmoedig stopte ik haar eene fooi in de handen en gaf haar zelfs onder den indruk, dat ik nu een volslagen Heer was, een fermen kus. In hare dankbaarheid voor het eerste was zij gauw een der knechts gaan waarschuwen, die nu ook zijne opwachting kwam maken en met een diepe buiging mede een compliment afstak. Op den kus na, beloonde ik hem even vrijgevig. Als de schoenpoetser in de buurt was geweest, zouden zij hem zeker op mij afgezonden hebben en zou ook hij zijn fooi niet zijn misgeloopen, want ik was dwaas genoeg die vleierij voor goede munt op te nemen. Voor de aanvallen van nog meer haaien werd ik gevrijwaard, doordien het intusschen tijd was geworden mij bij mijn commandant en op mijn schip te gaan melden.

Nauwelijks was ik de trappen van het hotel afgestegen en op straat gekomen, of mijne ijdelheid kreeg nieuw voedsel, toen ik een blijkbaar pas aangeworven schepeling ontmoette, die voor mij de hand aan zijne muts bracht. Ik nam dat saluut zeer ernstig op, raakte mijn steek aan en wandelde vol zelfbehagen door. Het verdroot mij echter, dat de inwoners zoo weinig acht op mij sloegen en niet half zooveel in mij vonden, als ik zelf deed; ik zag geheel over het hoofd, dat er in Plymouth haast evenveel adelborsten rondliepen als negerjongens in Port Royal, ofschoon de laatsten voor hun meesters heel wat meer waarde hadden dan de eerstgenoemden. Spot en plagerij van de vrouwen, die ik passeerde, nam ik alles voor waardeering van mijn mannelijk voorkomen op. In het volle gevoel van mijne eigene gewichtigheid droeg ik het hoofd fier in den nek. Een goed eind voor mij uit zag ik eindelijk een troepje officieren in volle uniform, waarschijnlijk uit een krijgsraad, in mijne richting aankomen.

»Aha!” zeide ik, »daar heb je eenigen van ons soort volkje.” Ik nam, evenals zij hunne sabels droegen, mijn ponjaard in de linkerhand en stak deftig mijn rechterhand in de borst, zooals een paar hunner dit hadden. Verder poogde ik even fier en rechtop te loopen en stak mijn neus in den wind zooals een big zulks in een storm doet, overtuigd dat ik heel indrukwekkend was. Wij liepen aan verschillende kanten van den weg en waren elkaar even gepasseerd, toen een, zeker in Zijner Majesteits dienst rauw geworden stem, achter mij aan riep: »Hei daar, jonker, kom eens over!”

In het denkbeeld verkeerende, dat ik geroepen werd om gecomplimenteerd te worden, of om opgave te doen welke kleermaker zoo’n nette jas voor mij geleverd had, of waar ik die mooien steek was machtig geworden, of althans verwachtende, dat er nu een twist zou volgen over de vraag aan wien de eer te beurt zou vallen mij onder zijne bevelen te krijgen, werd ik in de hoogste mate verbaasd, toen de oudste van die heeren, op een zeer nijdigen toon, mij aldus toesprak:

»Wel, heerschap, op welk schip hoort gij thuis?”

»Mijnheer,” antwoordde ik trotsch, »ik behoor tot Zr. Ms. fregat Le—;” het was een Fransche naam, dien ik zeer geaffecteerd uitsprak.

»O, ei zoo! doet gij?” zeide de oude heer op een voornamen toon. »Wees dan zoo goed rechtsomkeert te maken, naar de landingsplaats te marcheeren, een boot te nemen en als een Engelsch weerlicht naar boord van Zr. Ms. Le—,” (hier bauwde hij mij na,) »te varen. En zeg dan aan den eersten officier, namens mij, dat hij u aan boord moet houden, zoolang het schip in de haven ligt; ik zal uw commandant verzoeken zijne officieren te leeren om nooit den haven-admiraal voorbij te gaan zonder hem behoorlijk te groeten.”

Onder die aanspraak was ik het middelpunt van een cirkel geworden, waarvan de admiraal en de hem vergezellende hoofdofficieren den omtrek vormden. Zóó opgedrongen, en zóó toegesproken, begon ik mij werkelijk gedrukt te voelen.

»Nu, mijnheer, gij verstaat mij?—Gij kunt gaan.”

»Jawel, ik versta het heel goed,” dacht ik bij mijzelf, »maar hoe kan ik in ’s hemels naam hier uitkomen?” Die hooge heeren hielden mij volkomen ingesloten, zoodat ik vóór- noch achterwaarts kon.

Die blokkade, die hen scheen te vermaken, was intusschen mijne uitkomst. Ik kreeg daardoor tijd om te bedenken wat ik zeggen zou, zette een doodonschuldig gezicht en betuigde, dat ik voor het eerst in uniform was, mijn commandant nog niet kende en nog nooit aan boord van een schip was geweest. Bij deze uitlegging verwrong zich het gezicht van den admiraal tot een soort van glimlach, terwijl de kolonels het uitproestten.

»Zoo, jongmensch,” zei de admiraal, die inderdaad een heel beste man was—»zoo, jongmensch, nu ik hoor, dat gij nog nooit op zee zijt geweest, is het te excuseeren, dat ge geen betere manieren kent. Die boodschap aan den eersten officier vervalt, doch ik zou u aanraden om toch maar eens naar boord te gaan.”

Daar ik nu mijn welverdiende portie beethad, maakten de hoofdofficieren een doorgang voor mij open. Bij het heengaan, hoorde ik een hunner zeggen: »Ik sta er voor in, dat het lesje hem bijblijven zal.” Ik kon daarop het antwoord, zonder schade voor mijzelf, best voor mij houden en gevoelde mij wel een voet kleiner dan vóór de kennismaking met die hooge autoriteiten. Onder den indruk daarvan volgde ik het eerste bevel, dat ik in dienst ontving, sneller op dan menig ander in later tijden.

Het verdere gedeelte van mijne wandeling liep zonder stoornis af; voorzichtig geworden, salueerde ik iedereen die ik ontmoette, onverschillig of het een adelborst, een onderofficier, of zelfs een korporaal van de mariniers was. Mijne overdrijving aan den anderen kant werd mij op eens op nette wijze duidelijk gemaakt door eene als dame gekleede jonge vrouw, die meer dan ik van de marine scheen af te weten en mij vroeg, of ik mij soms populair maakte om in het parlement gekozen te worden.

Zonder die hatelijkheid te vatten, antwoordde ik: »Neen.”

»O, ik dacht soms,” zeide zij, »omdat ge tegen iedereen zoo bijzonder beleefd waart.”

Zonder dien vriendelijken wenk, had ik zeker den achter haar aankomenden tamboer met mijn steek gegroet.

Ik kwam eindelijk aan het hôtel, waar mijn bevelhebber zijn intrek had genomen, en overhandigde dezen mijns vaders brief. Hij nam mij van top tot teen op en noodigde mij uit om ’s avonds te zes uren bij hem te komen eten.

»Intusschen kunt gij, daar het nu pas elf uren is, naar boord gaan, en u bij den eersten officier, mijnheer Handstone, aanmelden. Deze zal u in de rol laten inschrijven en permissie geven om naar den wal terug te gaan voor uw diner.”

Ik boog en vertrok. Onder weg naar de landingsplaats werd ik nog door deze en genen begroet met de namen van »kadetje,” of »beschuitknabbelaar,” doch de ware bedoeling daarvan niet vattende, bleef ik er koel onder. Toen ik aan de trap gekomen was, kwamen een paar vrouwen op mij af, die aan mijn gezicht zagen, dat ik een bootje verlangde en uit mijn spiksplinter nieuwe uniform mijne onhandigheid afleidden. »Naar welk schip verkiest UWelEdelGestrenge gebracht te worden?” was hare vraag. Ik noemde den naam.

»O, die ligt onder den obelisk,” zeide de oudste van het paar, op het oog een veertig jaren oud; »voor een shilling zullen we Uwe Edelheid daarheen roeien.”

Ik nam het aanbod aan. De oudste was zeer ervaren in het roeien, en ging met de riemen zoo behendig om alsof het breinaalden waren; maar de jongste, hare dochter, zooals mij bleek Sally gedoopt, was daarin erg onervaren. Zij zag er echter wel aardig en net gekleed uit en had een mooi voetje, waarmede ik echter een poosje later zeer onzacht kennis zou maken.

»Pas op, Sally,” zeide hare moeder, »houd slag met mij, of je zult een bruinvisch vangen.”

»Maak je niet ongerust, moeder,” zeide Sally, vol vertrouwen; maar alsof nu juist die waarschuwing er de oorzaak van was, zij stak het blad van haren riem te ondiep in het water; de riem ondervond niet den verwachten wederstand, kwam met het handvat op hare borst terug, en de rampzalige Sally draaide om haar zitvlak achterover, met het hoofd omlaag in de boot, de beenen daarentegen in de lucht, waarbij ik met haren schoen een knip tegen den neus ontving, die mij verplichtte met beide handen mijn steek te grijpen.

»Daar heb je het nu, Sally,” zeide de moeder boos, »ik heb je nog zóó gewaarschuwd!”

Sally scharrelde weer op haar plaats, kleurde een beetje en hervatte het werk. »Dat noemen ze bij ons een bruinvisch vangen,” zeide de vrouw. Ik antwoordde, dat ik dat wel aardig vond, en vroeg aan Sally om er nog eens een te vangen; maar hierin had zij weinig zin, en wij kwamen nu spoedig langs zijde van het fregat.

Nadat ik aan mijne roeisters den afgesproken shilling geofferd had, greep ik den valreep en klom aan boord. Boven gekomen werd ik aangesproken door een adelborst; deze was gekleed in buis en broek; het witte hemd, dat hij droeg, was van twijfelachtige zindelijkheid, en een zwartzijden doek was los om zijn hals geknoopt.

»Wat verlangt mijnheer?” vroeg hij.

»Ik zou gaarne Mr. Handstone, den eersten officier willen spreken,” zeide ik, en ontving daarop tot antwoord dat de eerste officier omlaag was om brieven te frankeeren, doch dat hem, als hij op dek kwam, van mijne komst bericht zou worden gegeven.

Na deze samenspraak werd ik aan bakboordszijde op het halfdek aan mijn lot overgelaten. Het schip was in eene groote wanorde, onder behandeling van het werfpersoneel. De caronaden van het bovendek waren alle uit de geschutpoorten gehaald en hier en daar langscheeps uit den weg gezet, de dekken vol pik, over de pas gebreeuwde naden gegoten, elders de kalfaters op hun gereedschapskisten gezeten in afwachting van het einde van het schaftuur. Aan stuurboordszijde stonden eenige adelborsten mij aan te gapen en op te nemen, misschien wel gissende naar de mogelijkheid of ik aan boord geplaatst was, en wat voor soort van kerel of ik wezen zou. Hun twijfel werd spoedig opgelost.

De eerste officier kwam op dek, de jonker van de wacht stelde mij voor, ik gaf mijn naam op en deed de boodschap van den commandant.

»Het is in orde, sir,” zeide Mr. Handstone. »Hier, mijnheer Flyblock, neem dit jongmensch mede naar omlaag, breng hem in de voorlongroom en wijs hem, waar zijn hangmat moet hangen.”

Ik volgde mijn nieuwen vriend langs de trap naar de kuil, waar wij eene vrouw passeerden, die brood, boter en bokkings aan de matrozen verkocht en in hare manden allerlei andere waren om zich heen had staan, zooals tabak, zeep, spiegeltjes en andere toiletbenoodigden; haar bier scheen echter den grootsten aftrek te hebben. Haar voorbijgaande, daalden wij nog eene trap af naar het tusschendeks, waar mij, vlak achter den grooten mast, mijne toekomstige verblijfplaats werd aangewezen,—een klein hok met den naam van logies bestempeld. Behalve door twee deuren, die in het volkslogies uitkwamen, en een raam aan den voorkant, dat eenig schemerlicht uit het groot luik zou toegelaten hebben, wanneer het niet gesloten werd gehouden, omdat wij anders voor iedereen der bemanning te kijk waren, ontvingen wij licht en lucht door een koekoek boven onze hoofden. Die koekoek was een glazen raam, dat geopend kon worden en zoo ingericht was, dat niet al het water, dat bij ongeluk langs de daarboven geplaatste trap liep, of dat met hooge zeeën of bij het schoon-schip maken over den rand van het luik wipte, op onze tafel of op onze hoofden kon neerkomen. Het licht, dat die koekoek doorliet, was op merkwaardige wijze getemperd; het kwam namelijk door meergenoemde trap heen, wat onbegrijpelijk zou zijn, als ik er niet bij vertelde, dat de treden niet uit planken, maar uit roostertjes bestonden. Het grootste deel der ruimte werd ingenomen door een tafel, gedekt met een onzindelijk laken, vol wijn- en mosterdvlekken. Een negerbediende was bezig om eten op te dragen, en eene zitplaats werd mij aangewezen. »Goede hemel!” dacht ik, toen ik mij na veel moeite in die plaats gewrongen had; »en dat is nu mijne toekomstige verblijfplaats? Dan had ik het toch nog beter op school: daar was althans frissche lucht en schoon linnengoed.”

Op dat oogenblik was ik wel in eene stemming om aan mijne arme, zielsbedroefde moeder een berouwvollen brief te schrijven, met verzoek om als de verloren zoon haar weer in de armen te vliegen. Twee belangrijke bezwaren weerhielden mij echter van dien stap: ten eerste mijn trots, ten tweede gebrek aan plaats en schrijfgereedschap. Met een diepen zucht zocht ik dus slechts heil in philosophische overdenkingen en herinnerde mij de gedachten van Gil Blas in het roovershol: »Ziehier den waardigen neef van mijn oom Gil Perez, als een rat in de val geloopen.”

De meesten mijner nieuwe kameraden waren in dienst buiten boord; het tusschendeks stond vol victualie- en watervaten, kisten, pakken, opgerolde zeilen en hangmatten, zoodat er geen doorkomen meer was; buiten boord en boven ons hoofd hadden de breeuwers hun werk hervat; het heele schip was vervuld met een stank van grog, jenever en bier, gebakken vleesch, uien en bokkings, daarbij een donkere lucht:—mij dunkt, meer was er niet noodig, om mijne gemoedstemming te drukken, en mij de overtuiging te schenken, dat er in de wereld veel ellende is. Ik was op het punt om mistroostig te worden, toen mij de uitnoodiging van den commandant te binnen schoot. Toen ik dit Flyblock mededeelde, zeide hij: »Dat komt heel mooi; Murphy moet ook bij hem dineeren, dan kunt ge samen gaan; ik ben overtuigd dat hij zeer ingenomen zal zijn met uw gezelschap.”

Het ging niet aan den kolonel op een adelborst te laten wachten; wij zorgden dus bijtijds te zijn. Het diner was in alle opzichten een »dienstdiner.” De commandant praatte veel, de officieren heel weinig, de adelborsten in ’t geheel niet; maar wat de behandeling van lepel en vork, en het ledigen der wijnglazen, voor zoover zij althans gevuld werden, betrof, heerschte de grootste levendigheid in omgekeerde volgorde. Gasten van ons schip waren er de eerste officier, Murphy en ik; de overigen waren collega’s van onzen bevelhebber en enkele andere officieren.

Zoodra het dessert was afgenomen, schonk de gastheer mij nog eens in, en verzocht mij het glas te ledigen en dan te gaan kijken, hoe de wind was. Den hierin opgesloten wenk vatte ik niet, de lastgeving nam ik te letterlijk op; buiten de deur zijnde, zat ik er over in, hoe ik achter de windstreek moest komen, daar mijne kennis van het kompas nog hoogst onvolledig was. Gelukkig viel mij buiten de windwijzer op den ouden kerktoren in het oog, die vier letters had, welke ik wist dat de hoofdstreken aanwezen. De windvaan kwam zoo juist met de letter W overeen, dat ik haastig naar binnen terugkeerde om, in mijn trots, dat ik er zoo gauw achter was, mijn kolonel te rapporteeren »dat de wind West was.” Maar wie schetst mijne verwondering, toen ik niet alleen voor mijne moeite niet bedankt, maar door het gezelschap uitgelachen werd; de eerste officier schudde het hoofd en zeide: »Dat is me een baar!” De commandant echter herstelde de fout op scheepsmanier. »Hier jonker,” zeide hij, »hier is nog een glas wijn, drink dat en dan zal Murphy u wel eens wijzen, wat ik bedoel.” Murphy voldeed aan den last, dronk met een minder vroolijk gezicht zijn wijn ledig, zette erg flink zijn glas op tafel en verliet, onder eene buiging met mij het vertrek.

Toen wij samen in de vestibule waren, liet hij tegenover mij zich niet onbetuigd:—»Wel, voor den d....., hoe kon je zoo terugkomen, ongare schaapskop? Kon je dien wenk niet begrepen hebben en weggebleven zijn, zooals de oude bedoelde? Nu heb ik mijn wijn kunnen missen voor zoo’n misbaksel als jij bent. Ik zal je dat koopje betaald zetten, vóór wij veel weken ouder zijn.”

Die fijnbeschaafde aanspraak hoorde ik met eenig ongeduld maar met eene groote dosis verontwaardiging aan. »Ik kwam terug,” zei ik, »om den kolonel te vertellen, hoe de wind was.”

»Och loop naar de maan,” antwoordde Murphy; »denk je, dat de commandant niet wist, hoe de wind was;—en bovendien, als hij dit werkelijk te weten had willen komen, zou hij er een zeeman om gestuurd hebben, zooals mij, en niet zoo’n hulpeloos lam als jij bent.”

»Wat de commandant bedoelde,” zeide ik, »dat weet ik niet, maar ik deed slechts wat mij gelast werd.—Maar wat bedoelt gij met mij een hulpeloos lam te noemen? Ik ben evenmin een lam als gijzelf!”

»O, zoo, ben je dat soms niet?” zeide Murphy, mij op hardhandige wijze aan een oor naar zich toe trekkende.

Dit nu was niet te dulden; wel was ik pas dertien en hij zeventien jaren en een opgeschoten kerel; ’t ware dus beter geweest, als ik mij bedaard had gehouden. Maar hij was begonnen: mijn eer stond op ’t spel, ik was woedend, en ’t verbaast mij nog, dat ik mijn ponjaard niet trok en daarmede op hem aanviel. Gelukkig echter vergat ik in mijne drift, dat ik dit wapen aanhad; de beleediging mijne uniform aangedaan, de bewondering van het kamermeisje, het saluut van den schildwacht alles kookte in mijn brein dooreen. Ik rekte mij uit als een vuurpijl, die de lucht ingaat en bracht mijn vuist, een wapen dat ik nog al wist te hanteeren, in het linkeroog van mijn tegenpartij, met eene kracht en juistheid die Cribb, den bokser, jaloersch gemaakt zou hebben. Murphy strompelde onder den aanval terug en ik verbeeldde mij, dat hij genoeg had.

Maar neen,—ik heb reeds gezegd, dat het een dag van teleurstellingen was!—hij was alleen achteruitgetrokken voor een aanloop; toen kwam hij op mij af met een drang, waar die van de gardes bij Waterloo eene kleinigheid bij was: zijne charge was onweerstaanbaar. Ik werd neergeworpen, in elkaar gedrukt, op den grond gebonsd, geslagen en geschopt, dat er bijna een eind aan mij zou gekomen zijn, waren niet de kellner en een kamermeid tot mijn ontzet komen opdagen. De laatste bracht vooral hare tong in werkdadige beweging; jammer voor mij, dat zij geen ander wapen in handen had, anders zou Murphy het niet malsch gehad hebben. »Schaam u,” zeide zij, »voor zoo’n grooten lummel, om een arm, onschuldig kind als dat, zoo te mishandelen. Wat zou zijne mama er wel van zeggen, als zij dat zag?”

»Laat zijne mama ophoepelen, en gij er bij,” zeide Pat. »Zie mijn oog eens aan.”

»’t Mocht wat, uw oog,” zeide de kellner; »’t is jammer, dat hij ’t andere niet juist zoo getracteerd heeft; het is verdiend loon voor ’t slaan van een kind; de jongen is flink geweest, en dat is meer dan van u gezegd kan worden.”

Intusschen waren op het leven, dat wij maakten, de kolonel en zijne gasten en nog anderen komen toeloopen. Ik had eene verdedigende houding aangenomen en mij niet doen hooren, hoewel mij het bloed uit neus en mond stroomde, en mijn gelaat de duidelijkste bewijzen vertoonde van de handigheid van mijn vijand, die als een goed bokser bekend stond en nooit dat dikke oog zou opgeloopen hebben, als hij eenigszins had kunnen denken, dat ik hem zou hebben durven aanvallen. De commandant vroeg, wat er gaande was. Murphy vertelde het gebeurde op zijne manier, en er was nagenoeg geen woord waarheid bij. Nu, als het een wedstrijd om het beste liegen had moeten zijn, dan zou ik het daarin zeker van hem hebben kunnen winnen, maar bij deze gelegenheid diende waarheid spreken mij beter. Zoodra hij uitgepraat had, gaf ik een onopgesmukt verhaal van de toedracht, en duidelijk bleek daarbij de kracht van mijn redenaarstalent boven het zijne. Murphy werd in ongenade weggestuurd, met scheepsarrest tot zijn oog weer zou genezen zijn.

»Dat is een straf, eigenlijk van uw tegenstander uitgegaan,” betoogde de commandant; »dat heeft de jongen mij uit de handen genomen: gij kunt natuurlijk met dat blauwe oog niet naar den wal gaan.”

Zoodra hij afgetrokken was, kreeg ik eene waarschuwing tot meerdere behoedzaamheid in het vervolg.

»Gij gelijkt wel op een jongen beer,” merkte de commandant op. »Ge gaat een verdrietigen tijd te gemoet. Als ge van plan zijt dadelijk uwe handen te gebruiken voor elk minder aangenaam woord, dat men u zegt, dan kan ik u wel voorspellen, hoe het u in den dienst gaan zal: als ge zwak zijt, zult ge een verschoppeling worden,—en als gij sterk zijt, zult ge u veel vijanden maken. Een twistzieke aard zal u gehaat maken in elken rang, dien gij bekleedt; men zal u altijd blijven wantrouwen, wel wetende, dat de geest van onbeschaamdheid en heerschzucht door u in de voor-longroom getoond, u zal bijblijven tot in de kajuit, met u op zal gaan in den dienst. Ik breng u dit in uw eigen belang onder het oog; het is geen bemoeizucht, ik weet dat iedereen en alles aan boord zijn eigen tegenwicht vindt; ik raad u alleen aan, wel te onderscheiden tusschen verzet tegen onderdrukking, dat ik ten zeerste goedkeur, en het op den voorgrond willen staan uit ijdelheid, heerschzucht en bandeloosheid, waarmede ik niets opheb. Ga nu uw gezicht afwasschen en keer dan naar boord terug. Doe uw best om met uwe overige kameraden op een goeden voet te komen; de eerste indruk is alles, en reken er op, dat Murphy niet veel goeds van u zeggen zal.”

De raad, mij zoo even gegeven, was op zichzelf uitstekend, doch kwam in dit geval een half uur te laat. Mijn gevecht was door eene onhandigheid van den commandant ontstaan en had zijn dieperen oorsprong in de toenmalige zeden en gebruiken aan boord der schepen. De tafelgesprekken bij de officieren en hoogeren, behalve wanneer er dames tegenwoordig waren, liepen het liefst over allerlei onderwerpen en werden gevoerd in een toon, die voor zoo’n knaap minder geschikt waren te hooren. Om die reden had men mij een wenk gegeven om maar weg te gaan. Het ware beter geweest, als mijn kapitein dit in een meer duidelijken vorm gedaan had.

Tegen acht uren ongeveer, kwam ik aan boord terug, waar Murphy mij intusschen vóór was geweest en eene allesbehalve hartelijke verwelkoming had bereid. Ik werd zoo koel ontvangen, dat ik mijn troost op het halfdek ging zoeken, aldaar op en neer bleef loopen, tot ik vermoeid was en toen tegen een stuk geschut aanleunde. In die houding werd ik opgeschrikt door het barsche bevel: »Blijf van dat stuk af; er wordt niet geleund op ’t halfdek!” Ik bracht de hand aan mijn pet en vervolgde mijn eenzame wandeling, van tijd tot tijd een schuinschen blik werpende op den officier der wacht, die mij zoo grof gewaarschuwd had. Mijn stemming was zeer neerslachtig; ik gevoelde mij hoogst ongelukkig. Nog geen verzuim had ik kunnen plegen en toch leed ik als onder een begane misdaad. Men had mij gegriefd, en zoo goed ik kon had ik mij verweerd. Waren het dan allen duivels, waar ik mede te maken had? Mijne gedachten keerden naar huis terug. Het beeld mijner bedroefde moeder, snikkende in mijns vaders armen, stond mij helder voor den geest. Mijn ongevoelig hart snakte naar liefderijkheid. Tranen kwamen op en zouden, had ik een eenzaam hoekje gevonden, willig gevloten hebben. Mijn trots was voor ’t oogenblik geknakt. Ik gevoelde alle ellende der afhankelijkheid en had gaarne alle schoone vooruitzichten willen verruilen voor mijne plaats terug in de ouderlijke woning.

Niet lang daarna kwam de eerste officier aan boord terug. Ik hoorde hem het met mij gebeurde aan den luitenant van de wacht vertellen. Dit deed het getij in mijn voordeel kenteren. Ik moest in de officiers-longroom komen, en toen ik daar alle vragen voldoende had kunnen beantwoorden, werd Flyblock geroepen, en ik opnieuw onder zijne hoede gesteld. Ik hoopte nu maar, dat de bescherming van den eersten officier mij een tijdlang beleefde behandeling zou waarborgen.

Ditmaal had ik betere gelegenheid mijn nieuw verblijf en mijne kameraden, die thans aan boord terug en in hun logies bijeen waren, op te nemen. Zij waren rond de tafel gezeten op kisten, die zoowel voor bank als bergplaats dienst deden; om zijne zitplaats te bereiken moest men over al de anderen heenklimmen. Zoo dicht opeengepakt te zijn, is zelfs onder de beste vrienden niet aangenaam; er behoeft niet eens warmte, bedompte lucht, gebrek aan linnengoed bij te komen. Nergens anders was een dergelijke toestand denkbaar, dan in het ruim van een slavenhaler. De adelborsten waren acht in getal, vier ouderen en vier nieuwelingen, zooals ik. Zij zaten in hun hemdsmouwen. Het maal op de tafel bestond uit licht bier in een groote pul, en harde scheepsbeschuit in een Japansche broodmand. Om den grooten eenvoud der gerechten niet te verstoren, of wel de onoogelijke vette tafel te verbergen, lag er een groot groen kleed met gele randen overheen, vol thee- en azijnvlekken. Ergens in een hoek stond een zak aardappelen; boven onze hoofden, tegen het dek aan, tegen boord, overal waren planken en kastjes getimmerd, waar in beminnelijke verwarring elkaar gezelschap hielden: borden en glazen met octantdoozen, messen, vorken en suikerbrooden, vuile hemden en kousen met nog fraaier tafellakens; waar kleer- en schoenborstels naast kammen en tandenschuiers te vinden waren, evenals steken en ponjaards naast zeelaarzen, en de boterprovisie tusschen een paar schrijfcassettes. Een enkele brandende vetkaars verlichtte dit soort van moordhol, waarin men zelfs met gesloten oogen kon genieten, door goed den neus op te halen.

Na mijne intrede gevoelde ik mij hier geenszins op mijn gemak. Dicht bij de deur stond onze zwarte bediende, die zelf al niet aan een parfumeriewinkel deed denken, op orders te wachten, met een handdoek voor het schoonvegen van borden en glazen, die mij reeds dadelijk onpasselijk maakte; ik viel half ziek op den eersten zetel neer. Na eenige oogenblikken kwam ik wat bij, spande mijne oogen zoo goed mogelijk in en waagde het in ’t rond te zien. Het eerst viel mijn blik op mijn vijand van ’s middags; hij droeg de sporen onzer ontmoeting in een met bruin papier onder een vuil zijden zakdoek verbonden linkeroog, met het andere staarde hij mij aan en op een woesten en brutalen toon zwoer hij wraak over mijne handeling te zullen nemen. Hierin werd hij gesteund door een ander, die naast hem zat en een onaangenaam gezicht had, door een paar groote bakkebaarden niet mooier gemaakt.

Onnoodig is het verder uit te wijden over al wat mij naar het hoofd geworpen werd; ik kan volstaan met de verklaring, dat de grooteren allen tegen mij en de jongeren onzijdig waren. Van de eerste partij ging eene soort van lastgeving uit, dat de andere helft eens wat ruimte zoude maken en naar boven zoude opkrassen.” »En jij, mijnheer van Vuistenburg,” zeide er een, »ruk maar op met de rest en laat je leelijke tronie zoo weinig mogelijk hier zien.”

De knapen gehoorzaamden in stilte en ikzelf had geen bezwaar hen te volgen. Bij het heengaan voegde Murphy mij toe: »Zoo moordenaar, ik zie, dat je weet te gehoorzamen, en dat is maar goed ook, want ik had al een beschuit klaar, om je naar den kop te smijten.” Die beleediging moest ik nog slikken, maar maakte het mij niet duidelijker wat de admiraal toch bedoeld kon hebben met zijn gezegde, van die »goede manieren”, die ik aan boord te leeren had.

Ik sloot mij nu meer aan bij de jongere adelborsten, en wij begaven ons voor een ongestoord onderhoud naar voren op den bak. Na langdurig overleg, werd ik, ofschoon het mijn eerste avond aan boord was, met algemeene stemmen als hun leider verkozen. Die eerepost had ik te danken aan mijn kloekmoedig optreden tegen de tirannie der oudsten en inzonderheid aan mijn aanval tegen Murphy. Door hen vernam ik nu veel van de wijze, waarop het bij ons toeging; hoe wij door den commandant, met het oog op de oefeningen en vermeerdering van kennis, ingedeeld waren en onder toezicht stonden; hoe wij voornamelijk, en het beste, in het vloeken werden opgeleid; hoe goed wij nagegaan werden; hoe wij wel ten volle aan de tafel mochten bijbetalen,—maar om de beste provisiën door anderen te zien opeten. Mijn bloed kookte bij die verhalen van hunne onderdrukking, en plechtig verklaarde ik liever te zullen sterven, dan zulk eene behandeling te gedoogen.

Het werd tijd om onze nachtkwartieren te gaan betrekken. Onder het halfdek, in ’t gezicht van den schildwacht bij de kerkdeur hing mijne hangmat. Men wees mij, hoe ik daarin moest klimmen, en lachte mij uit, toen ik er aan de andere zijde even vlug weer uitgleed. Ik moest mij hier het zedelijk overwicht van die kereltjes, alleen omdat zij reeds ettelijke weken aan boord waren, wel laten welgevallen en voor goede munt opnemen, dat zij mij voor een »baar” uitmaakten. Die plagerijen waren echter nog al goedaardig, en na nogmaals den lachlust mijner kameraden te hebben gaande gemaakt, slaagde ik er eindelijk in het ware evenwichtspunt in mijn slingerend bed te vinden en viel spoedig in een diepe rust. Doch tegen ongeveer vier uren in den morgen werd daaraan een gewelddadig einde gemaakt, want op dat oogenblik kwam met een ruk het hoofdeneinde van mijn hangmat naar beneden, en ik viel met mijn hoofd op het dek, terwijl mijne beenen nog in de lucht bleken hangen, evenals van de arme Sally, toen zij in het bootje een bruinvisch ving. Ontdaan door den schok en niet zeer spoedig tot een helder inzicht van de zaken gebracht doordien mijn bloed naar de beenen steeg en ik daardoor niet vatte hoe die kanonnen tegen den zolder aangeplakt waren, had ik eenigen tijd noodig, vóór ik mij kon oprichten.

De schildwacht voor de kerk, die de toedracht der zaak gezien had en den dader had opgemerkt, kwam medelijdend ter mijner hulp. Hij knoopte de gebroken lijn aaneen en hing mijne hangmat weder op, maar kon mij niet overhalen mij andermaal in dat verraderlijke bed te wagen, want ik dacht niet dadelijk, dat dit touw met opzet doorgesneden was. Te bang voor eene nieuwe tuimeling, wikkelde ik mij in mijne dekens en legde mij neer op eene kist, van waar ik een wakend oog kon houden op de plek, waar ik neergebonsd was.

En gelukkig was die inval van mij, want nog maar weinig minuten later kwam Murphy, van de hondewacht afgelost, naar omlaag, zag mijne hangmat weer hangen, meende dat ik er inlag, nam zijn mes en sneed de lijn aan het boveneinde weer door. »Zoo,” zeide ik in mijzelf, »waart gij dat, die mij de eerste maal ook hebt laten vallen, op het gevaar af mij een hersenschudding te bezorgen, en het nu weer beproeft!” Ik deed eene gelofte van wraak en vervulde die spoedig. Als een struikroover, kroop ik ineen opdat hij mij niet zou gewaarworden en loerde, tot ik hem in zijn eigene hangmat had zien kruipen en zijn solo in het snurken kon waarnemen. Zachtjes schoof ik een paar schrootbossen onder zijn hoofdeinde, zoodat hij in zijn val op de scherpe randen zou neerkomen, (al had hij zich te pletter gevallen, ’t kon mij niets schelen, ik dorstte immers naar wraak) en stil, maar met één ruk, sneed ik zijn touw door. Hij viel op de wijze, die ik voorzien had, gaf een diepen snik en bleef liggen. Ik had weer haastig mijn kist en mijn deken opgezocht en hield mij slapende, terwijl de schildwacht, die gelukkig gezien had, hoe Murphy mij het eerst had afgesneden, met een lantaarn nader-bij kwam, de schrootbossen weer naar hun plaats terugschoof, en hem bewusteloos ziende, den sergeant van de mariniers waarschuwde en verzocht den ziekenoppasser mede te brengen.

Toen de sergeant naar voren was gegaan, fluisterde hij mij toe: »Blijf stilliggen; ik heb alles gezien, maar als zij er achterkwamen, zoudt ge een leelijke pijp rooken.” Murphy had weinig vrienden, zoo het scheen: iedereen verheugde zich in het voorgevallene. Ik bleef stil in mijn deken gewikkeld, terwijl de ziekenvader de belangrijke wond verbond en na geruimen tijd er eerst in slaagde hem bij te brengen. Doch wel veertien dagen moest mijn vijand zijn bed houden. Het vermoeden viel niet op mij, of zoo er soms al over gedacht mocht zijn, begreep men zeer goed, dat ik niet de aanvaller was. Het geheim bleef goed bewaard, ik gaf den marinier een guinje present en verhief hem tot mijn oppasser.

Een enkel woord tot mijne verontschuldiging zal hier niet misplaatst te achten zijn. Ik gaf hierboven een staaltje van mijne hardheid en onverzoenlijkheid. Hartstochten als deze behoorden zeker op mijn leeftijd nog sluimerende te blijven, maar juist door de onmenschkundige handelingen van diegenen, waaraan men mij als kind had toevertrouwd, waren zij reeds vroeg ontkiemd. Dit waren nu de vruchten mijner slechte opvoeding. En in welk eene omgeving was ik nu, op een leeftijd voor diepe indrukken zoo vatbaar, geraakt? Op een schip moest ik samenleven met een driehonderdtal mannen uit den laagsten stand der maatschappij. Met vloeken werd elk gesprek gekruid; de eenige zondagviering bestond in verwisseling van kleederen en meer vrijen tijd tot ongebondenheid.

Welk voorbeeld de officieren aan hun jeugdiger scheepsmakkers gaven, heb ik hierboven reeds met een enkel voorbeeld aangetoond. Wat de adelborsten onderling aanging, hiervan viel mede weinig goeds te zeggen. Taal en manieren waren niet beter dan die van het volk; hunne levenswijze was misschien iets meer verfijnd. Hun eenig genoegen aan den wal bestond in dronkenschap en liederlijkheid, hunne gesprekken aan boord liepen over weinig anders en zij waren trotsch op die feiten. Wel mocht de commandant mij opgemerkt hebben, dat op een oorlogsschip alles zijn tegenwicht vond; maar in het adelborstenverblijf was zulks dan overeenkomstig de zeden der wilden, voor wie lichaamskracht het hoogste is en beslist of men tiran dan wel slachtoffer zal wezen. De schooltucht was nog heilig bij de tirannie in een adelborsten-longroom in het jaar 1803.