0,49 €
Niedrigster Preis in 30 Tagen: 0,00 €
In "Stuurman Flink; of, De schipbreuk van 'De Vrede'" voert Frederick Marryat de lezer mee naar de avontuurlijke en soms dramatische wereld van de scheepvaart in de 19e eeuw. Het verhaal volgt de jonge stuurman, Flink, die tegenover de uitdagingen van de zee komt te staan, waaronder schipbreuk en overleving. Marryats literatuur is gekenmerkt door een levendige beschrijving van maritieme omgeving en een realistische weergave van zeemansleven, hetgeen hem stevige grond geeft in de traditioneel avontuurlijke fictie. Het werk situeert zich binnen de literaire stroming van de romantiek, waarbij de nadruk ligt op avonturen, heldhaftigheid en de natuur, terwijl het ook kritische ondertonen meegeeft over de gevaren van de zee en de menselijke conditie. Frederick Marryat was niet alleen een auteur, maar ook een ervaren zeeman, wat zijn verhalen een authentiek karakter geeft. Geboren in 1792 in Londen, diende hij als marineofficier, wat hem een schat aan kennis verschaft over maritieme aangelegenheden. Na diverse avonturen op zee begon hij zich te wijden aan het schrijven, waarbij zijn persoonlijke ervaringen een fundamentele invloed uitoefenden op zijn literaire oeuvre. Dit boek is aan te raden voor lezers die geïnteresseerd zijn in spannende zeeverhalen, waar avontuur en menselijke veerkracht centraal staan. Marryats vlotte schrijfstijl en zijn vermogen om complexe personages te schetsen, maken dit verhaal tot een boeiende leeservaring. Of je nu een liefhebber bent van maritieme literatuur of gewoon op zoek bent naar een meeslepende roman, "Stuurman Flink" biedt een schat aan inzichten en vermaak.
Das E-Book können Sie in Legimi-Apps oder einer beliebigen App lesen, die das folgende Format unterstützen:
Veröffentlichungsjahr: 2023
Typ. De Erven H. van Munster & Zoon, Amsterdam.
Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.
De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een oud zeemansliedje, dat begint:
„’t Is alles water, wat men ziet,
En donkre, zwarte lucht!”
En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken, welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind akelig door het want floot en huilde.
Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip ging en overboord keek.
Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm vast en riep: „Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip heen slaan, Flink?”
„Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn wij gelukkig over haar heen. Maar ’t kon licht gebeuren, dat een tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen, als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u zeker overboord spoelen.”
„Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het vasteland waren,” antwoordde de knaap. „Zie de golven daar recht vooruit;—is ’t niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden laten?”
„Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm.”
„Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen, die er op zijn, niet waar?”
„Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk aan boord daar het minst op bedacht is.”
„Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water vliegen?”
„Ei, dat zijn moeder Carey’s1 kuikens, zooals wij zeelui ze noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer ophanden is.”
„Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden, zooals Robinson Crusoë?”
„Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben.”
„O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het u wel alles van stukje tot beetje vertellen—en wil dat ook doen, zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier boven te blijven.”
„En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden,” zei de oude man. „Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen, dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet.”
Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had.
Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven; hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over zijn lippen kwam.
Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.
Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales,2 waarheen het eene kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht beschouwde en ook, als ’t geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest; doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen, uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal, was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid.
1 Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud verschaft.
2 Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.
De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader, moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig, welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney, de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw, verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op te noemen.
Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken, vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling van zijn meester, kapitein Osborn was.
Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met een lachend gezicht op hen toekwam en riep:
„Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de storm over is?”
„O, ik ben niet bang geweest,” antwoordde Thomas. „Ik was maar boos, dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk papa kwam en haar weer ophielp.”
„Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd heeft!” zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind.
„En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht,” zeide de vader.
„Ja, dat is waar,” hernam kapitein Osborn. „Zij redde het kind, maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben.”
„Ikke een harden bons kreeg op mijn kop,” verzekerde Juno en grijnsde, dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.
„Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt,” zei de kapitein lachend. „Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u.”
„Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer,” kwam Mackintosh, de eerste stuurman, den kapitein berichten.
„Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden.”
„Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken,” riep Willem op eens uit. „Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier, Romulus! Remus hier!”
„Ei, mijnheer,” zei Flink, die dicht bij hen stond, „ik heb u al lang eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus en Remus—wie waren dat?”
„Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd,” antwoordde de heer Wilson. „Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover Romulus als eerste koning regeerde.”
„En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door eene wolvin gezoogd,” vervolgde Willem. „Wat zegt ge van zoo iets, man?”
„Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor een paar jonge prinsen,” antwoordde Flink.
„En Romulus sloeg zijn broeder dood.”
„Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden,” merkte Flink aan. „Maar waarom deed hij dat?”
„Omdat Remus zoo goed springen kon,” zeide Willem lachend.
„De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?” riep Flink en zag den vader vragend aan.
„Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken.”
„En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn,” hernam Flink; „hoewel—’t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet:
„Twee meesters onder ’t zelfde dak
Geeft altijd moeite en ongemak.
„Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien nog diezelfde stad?”
„Ja,” antwoordde Willem; „het zijn de puinhoopen van die oude.”
„Een mensch is toch nooit uitgeleerd,” zeide Flink. „Vandaag heb ik weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en weet weinig buiten ’t geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan, zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer.”
„Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;—en pas op, mijn kind, dat gij dien nooit vergeet,” sprak de vader. „Gij behoeft u nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt.”
„Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen gevraagd, Flink?”
„Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen.”
„Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve,” zeide mevrouw Wilson eindelijk. „Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij te dragen.”
„Van harte gaarne, mevrouw,” antwoordde Flink. „Komaan dan, Juno, geef mij het kind en ga gij vooruit.—Ruggelings, domme meid! Hoe dikwijls moet ik u dat nog zeggen? ’k Voorzie, dat gij nog eens hals over kop de trap aftuimelt.”
„En breken mijn nek,” zei Juno.
„Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?”
Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap de Goede Hoop verwijderd waren.
„Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn,” zeide mijnheer Wilson tot zijne vrouw. „Misschien kan onze Juno daar haar vader en moeder wedervinden.”
De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam, en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.
„Maar nu zijt gij vrij, Juno,” zeide mevrouw Wilson. „Gij zijt in Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn van dat oogenblik af vrije menschen.”
„Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en geen moeder,” antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij weer en speelde vroolijk met het lieve kind.
Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai het anker vallen.
„Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?” vroeg Willem.
„Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet, jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is.”
„Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel.”
„Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt.”
„Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!”
„Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer,” kwam kapitein Osborn den heer Wilson berichten, „en zoo gij en mevrouw aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe.”
„Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen,” zeide Willems vader en ging met dezen in de kajuit.
Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde nog vóór den avond terug te zullen zijn.
Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte in de handen van blijdschap.
„Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?” vroeg Willem.
„Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd, in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in Europa genoeg te zien kan krijgen.”
„En wat zullen we dan al zien?” vroeg Thomas.
„Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel, allemaal in één hok bijeen,” antwoordde kapitein Osborn.
„O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien.”
„Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt.”
„Neen, zeker niet,” beloofde Thomas.
Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de hand vast.
„Hier zijn een paar zonderlinge vogels,” zeide de heer, die bij hen was. „Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden, alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in een oogenblik dood zijn.”
„Vindt men veel slangen in dit land?” vroeg Willem.
„Ja, en zeer vergiftige slangen,” antwoordde zijn vader, „waarom deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien, Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een tweede, ’t welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze vogel ook weinig nut doen.”
„Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen.”
„Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot vele honderden kan aangroeien.”
Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden, dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten, waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten den grond zweepten, zonder zich, naar ’t scheen, aan de menschen daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en kwam daarbij telkens dichter bij het hok.
Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen het uit en tuimelde achterover in het gras, ’t geen zijn behoud was, want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.
„Breng mij weg,—breng mij weer op het schip!” kreet Thomas en trilde als een blad.
„Wat hebt gij gedaan, jongen?” vroeg kapitein Osborn.
„Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen, nooit van mijn leven meer!” riep de knaap en zag ontzet naar het vergramde dier om.
De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.
Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden zwaarte heeft.
Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden allen naar het schip terug. Toen Thomas’ moeder van het avontuur hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.
Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich, dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men overboord uitstrooide.
„Wat is dat voor een groote vogel, Flink?” vroeg Willem.
„Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren.”
„Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb.”
„Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt, dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven.”
„Hoe komt het, vader,” vroeg Willem dezen, die naast hem stond, „dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang boven water te houden?”
„De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien, waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken.”
„Hoe vreemd!”
„Ja, wel merkwaardig.—Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee gezet is.”
Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd.
„Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten hebben?” vroeg kapitein Osborn.
„Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen.”
„Wat zegt gij, Mackintosh?”
„Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm bovendien,” antwoordde deze. „Hoe eer wij de luiken schalmen, des te beter zal het zijn.”
De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken.
„Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink,” verzekerde de moedige knaap; „maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest, dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef.”
„Maar, Flink,” vroeg de kapitein verder, „wat doet u denken, dat de wind draaien zal?”
„Och, ik weet het zelf niet,” antwoordde de oude man; „misschien vergis ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker.” Met deze woorden trad hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging, om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren, vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide:
„Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker, dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan komen zal,—en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn hevigst woeden voorafgaat.—En nu weet gij mijne vaste overtuiging.”
„Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan, dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf mee naar voren gaan.”
Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden.
De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen, kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles, wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:
„Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?”
„Misschien langer dan het schip zelf,” antwoordde de stuurman met allen ernst.
„Dat wil ik nog niet hopen,” hernam de kapitein; „en erger kan het toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?”
„We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te vreezen,” riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas, aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen vlamde. „Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik....”
Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en schudden. Een dof gekraak—een ontzettende slag—een doffe kreet werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden, zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer regeeren; het schip loefde op—krak! daar sloeg de groote mast over zij—en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal een hulpeloos wrak geworden.
Gelukkig—want anders ware alles reddeloos verloren geweest—werd de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi, hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over, waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk, het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden, nog maar acht matrozen aan boord overig waren.
Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun midden gerukt waren,—de ellendige toestand van het schip,—de woeste golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven, het huilen van den orkaan,—de sissende bliksem,—het ratelen van den donder—dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter naar het roer luisterde.
Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.
Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde, de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn.
Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem zwaar;—zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.
De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:
„Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en hebben geen middel om het te ontwijken.”
„Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen.”
„Er was menig man,” sprak kapitein Osborn met ernst, „die mij benijdde, toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met mij willen ruilen?”
„Ik denk voor ’t naast—neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein, dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd, dat de storm er sterker om huilt.”
„Gij hebt gelijk,” was het antwoord; „maar houd vast, Flink: daar komt weer eene zee.”
Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen.
„Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik,” zeide Flink en nam den hoed af om het water weg te schudden.
„Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke stooten niet bestand,” antwoordde de kapitein. „En nu juist, met ons doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen.”
Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig, toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.
Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag.
„Zie, mijn jongen,” sprak de vader, „wat ellende en vernieling hier heeft plaats gehad. Zie nu, ’s menschen trotschheid is vernederd.”
„Ja, Willem,” riep Flink hem toe; „zie maar eens aandachtig rond!”
„Maar vader,” vroeg Willem na eene poos, „hoe moeten wij nu zonder masten en zeilen naar Sidney komen?”
„Wel, vriend Willem,” antwoordde Flink, „wij moeten alles doen, wat maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen en, als ’t goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt—of kleine masten met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney toe.—Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?” vervolgde Flink, zich tot den vader keerende. „Is zij wat beter?”
„Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is,” was het antwoord. „Alleen goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het nu opklaren zal?”
„Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd, want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij—ik heb niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank, die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en ’t zou mij niet verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en wel nog voordat het nacht wordt.”
„Het zij zoo!” sprak de heer Wilson. „Echter vrees ik zeer voor mijne vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is.”
„Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn, hoeveel zij er ook door te lijden hadden.—Weet gij al Willem, dat wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet boven geweest zijt?”
„Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was.”
„Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord geslagen,—Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,—en Jones en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het land op zee zouden omdobberen?”
„Ik ben van oordeel,” zeide mijnheer Wilson, „dat een zeeman eigenlijk geen recht heeft om te trouwen.”
„Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest,” antwoordde Flink; „en zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij ’s nachts op haar bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht.”
„Met mijne toestemming,” vervolgde de vader, „zullen mijn zoons nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen vinden kan.”
„En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in het hoofd heeft gezet;—maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij, mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen wil het zeegat uit,—dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten, waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden.”
„Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij op zee te worden.”
„Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren—als hunne schaamte hen daarvan niet terughield.”
„Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken, daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben.”
„Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer,” hernam Flink. „Maar hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme Juno?”
„Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven,” vervolgde de heer Wilson; „mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer op het dek blijven, Willem?”
„’t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;” zeide Flink; „wij allen hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen nacht hebben wij weer geen rust te wachten, ’t moge gaan hoe ’t wil, daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen, rust wel!”
Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in ’t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn; terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson, bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich, gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.
„Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk,” jammerde de negerin en wreef zich het been. De „ondeugende jonk” oordeelde maar ’t best, zich stil te houden;—hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige orde terug.
Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was binnengedrongen, en thans—om het ongeluk ten top te voeren—gebeurde er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had.
Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans, nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.
„Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben nu goed weer te wachten,” merkte Flink aan en vervoegde zich bij de matrozen aan het volkslogies. „De wind is haast op, zooals gij zelven zien kunt.”
„Ja, en het schip is ook haast op,” antwoordde een matroos; „daar is nog veel minder aan te twijfelen.”
„Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen,” vervolgde Flink. „Wat zegt gij, jongens?”
„Een stevig oorlam zou ons meer goed doen,” hernam de zeeman. „Wat zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel, zou ons dat zeker niet weigeren.”
„Wat zijt gij van zins, jongen?” vroeg Mackintosh. „Ge wilt u toch niet dronken drinken, hoop ik?”
„Waarom niet?” riep een ander uit den hoop. „Het schip moet toch spoedig te gronde gaan.”
„Dat is mogelijk,—ik wil het niet tegenspreken,” zeide Mackintosh; „maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken.”
„En hoe zoudt gij ons dat beletten?” vroeg een der matrozen op dreigenden toon.
„Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,—ik mag zeggen drie, want in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?—Zegt mij ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt, wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?”
Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren, beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen naar zijn plan.
„Wij hebben nog een goede boot,” antwoordde Mackintosh, „de nieuwe sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld, met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land bracht.—Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?”
„Volkomen goed, Mackintosh;—slechts nog één ding: wat moet er van de kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of wat wilt gij anders aanvangen?”
„Wij willen den kapitein niet verlaten!” riep een van de matrozen.
„Neen—neen, onze kapitein moet mee!” herhaalden de overigen.
„En de passagiers?”
„Het spijt mij van hen,” antwoordde de eerste spreker; „maar wij zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot kan ons nauwelijks bergen.”
„Ik moet u gelijk geven, jongens,” sprak Mackintosh. „Het hemd is nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?—Blijft het besloten?”
„Ja!” riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.
Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer Wilson boven en zag rond.
Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.—Eindelijk ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar schijnbaar dood nederlag.
„Wat beduidt dit alles, Flink?” vroeg hij. „Willen zij het schip verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?”
„Neen, mijnheer, zoo erg is ’t nog niet. De arme kapitein is door de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men daar de boot van boord stoot.”
„Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan zich nauwelijks verroeren,—ze is doodzwak!”
„Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen.”
„Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe wreed,—hoe barbaarsch!”
„Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij, zoo is de natuur van den mensch. Als eens ’t leven er mee gemoeid is, dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb dat al zelf mede beleefd,” antwoordde de oude man zeer ernstig.
„Mijne vrouw! mijne arme kinderen!” riep de wanhopende vader en bedekte het gezicht met beide handen. „Doch ik wil met hen spreken,” vervolgde hij; „zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren, en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?”
„Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;—dáár zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht, zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets.”
„Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?”
„Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij; maar ik blijf hier.”
„Om met ons om te komen?” was de verbaasde vraag.